online redactie

Beroepsprofiel Blokfluitdocenten

In DocentenPodium on 28 juni 2011 at 11:08

 Ontwikkeld door Jan Goorissen op basis van een beschrijvingsmodel van het Vlaamse Ministerie van Onderwijs.

Inleiding

Een beroepsprofiel kan een stekelig ding zijn. De docent of professional die het bestudeert kan in de verleiding komen om het eigen beschikbaar hebben van kennis en kunde te vergelijken met het geformuleerde ideaaltypische model. Zo’n vergelijking gaat bijna altijd mank, en leidt tot demotivatie als de verschillen tussen eigen kunnen en de eisen in het profiel zozeer uiteen lopen dat het leerproces dat zou leiden tot een completer palet aan vaardigheden te moeilijk lijkt te zijn. Het is dan ook niet de bedoeling dat een docent voldoet aan alle eisen, maar dat er wordt gewerkt naar een toename van kennis en kunde. Deze toename dient toetsbaar te zijn, en dat maakt het belangrijk dat docenten en muziekprofessionals hun leerproces periodiek in contact brengen met anderen. Die anderen kunnen directe collega’s zijn, maar ook een onbekende collega, een supervisor/ coach of leerbegeleider. Er kan een moment komen dat de lerende professional een zo levendige en reflecterende houding heeft ontwikkeld ten aanzien van de leerprocessen in en om haar/hem dat die toetsing steeds implicieter aan de Ander plaatsheeft. Dan wordt dit proces van reflectie, zelfcoaching en actieve communicatie een speel-proces dat grote vreugde in zich kan bergen. De professional ontwikkelt zich van bekwaam beroepsbeoefenaar tot een Meester. In Meesterschap zijn de eisen van het beroepsprofiel zo geïnternaliseerd dat de professional een bewuste “Change-Agent” is geworden: alleen al de aanwezigheid van een Meester veroorzaakt verandering in anderen, leerprocessen, motivatie, reflectie, intergratie, bewustwording. Veel mensen kennen wel zo’n persoon,die vaak onnadrukkelijk en liefdevol richting geeft. Soms in een boksschool, of langs de lijnen van een sportveld, soms ook de blokfluitdocent die de les, het samenspelen, de samenwerking met ouders, de school, het concert… tot een feest maken, zonder op de voorgrond te treden. We nodigen uit om dit warme beeld het koele profiel te laten begeleiden, en lekker aan de slag te gaan.

Typefunctie 1 : de blokfluitdocent als begeleider van leer- en ontwikkelingsprocessen

De blokfluitdocent kan:

1.1 de beginsituatie van de lerenden en de groep achterhalen;

De beginsituatie is het moment waarop de groep voor de eerste keer bijeen is, de leden elkaar niet kennen en elkaars vaardigheden onbekend zijn. De docent dient te kunnen achterhalen wat de mogelijheden, voorgaande leerresultaten en verwachte interacties zijn.

1.2 doelstellingen kiezen en formuleren;

Op basis van de bevindingen bij het omgaan met- en observeren van de groep kan de docent een leerweg uitstippelen, met bijbehorende doelen. De docent kan over deze leerweg en doelen adequaat communiceren met de groep.

1.3 de leerinhouden of leerervaringen selecteren;

De docent is in staat om keuzes te maken uit het aanbod van mogelijke leerervaringen en -inhouden, en deze aan te bieden, passend bij de groep en de individuele lerende daarin.

1.4 de leerinhouden of leerervaringen structureren en vertalen in een samenhangend onderwijsaanbod;

Vertalen betekent hier het zo formuleren dat de lerende -binnen diens eigen leerstijl en leersocialisatie- verstaat wat er wordt uitgedrukt. De docent kan de lerende bevragen op diens mogelijkheden te verstaan. Samenhangend wil zeggen dat het aanbod binnen een leerhypothese functioneert en deze hypothese weer een duidelijk verband heeft met de gehanteerde praktijktheorie.

1.5 een aangepaste methodische aanpak en groeperingsvorm bepalen;

De docent is in staat om de groeps- en leerdynamiek waar te nemen en te begrijpen, en, waar nodig het aanbod aan te passen aan de omstandigheden van het moment. Tevens kan de docent op communicatieve wijze de samenstelling van een groep wijzigen als dat voordelen biedt voor de leer- en ontwikkelingsprocessen van groep en groepsdeelnemers.

1.6 in team leermiddelen kiezen, aanpassen en ontwikkelen;

Een docent dient in staat te zijn met collega’s binnen een school of een samenwerkingsverband in brede zin leermiddelen uit te kiezen, aan te passen of zelf te ontwikkelen zoals die passend zijn voor een vruchtbare leeromgeving.

1.7 een adequate leeromgeving creëren met aandacht voor de heterogeniteit binnen de leergroep;

Een leeromgeving is een samenhangend geheel van ruimte, aankleding, gedrag, interactie, plaatsbepaling, tijdbehandeling etc. dat nodig is voor een goed leerproces en een goede groeps- en individuele ontwikkeling

1.8 observatie of evaluatie voorbereiden;

De docent is in staat om zelfstandig te observeren en te evalueren, maar vooral om deze handelingen in te passen in het leerproces, in de leerhypothese en in verband te brengen met de praktijktheorie.

1.9 observeren of het proces en product evalueren;

De docent is in staat kundig te observeren, en heeft kennis verworven over observatiekunde en informatieverwerking. De docent is in staat om het leerpotentieel van produkten te overzien en te evalueren, eventueel in samenhang met collega’s.

1.10 in overleg met het team, of vakgenoten zorgverbredingsinitiatieven uitvoeren en laten aansluiten bij de totaalbenadering van de school of de lespraktijk;

Lerenden hebben regelmatig te maken met belemmerende omstandigheden. Een aantal van die omstandigheden zal interventie behoeven. De docent is in staat die omstandigheden waar te nemen en te begrijpen, en kan, waar nodig, initiatief nemen om de lerende en diens verzorgers te helpen een weg te vinden om deze omstandigheden tot verandering te brengen. Daartoe dient de docent de sociale kaart goed te kennen, en actief handelend op te treden in het kader van het leer- en ontwikkelingsproces van de lerenden.

1.11 het leer- en ontwikkelingsproces begeleiden in het Standaardnederlands.

Alleen waar dit relevant is.

1.12  omgaan met de diversiteit van de groep.

Groepen zijn vaak samengesteld uit lerenden met verschillende leeroriëntaties, interactiegewoontes en cultuurachtergronden. De docent is kundig in het omgaan met deze verschillen, en is bereid, als die kundigheid tekort schiet, inspanningen te leveren om die te vergroten.

Typefunctie 2 : de blokfluitdocent als opvoeder

De blokfluitdocent kan:

2.1 samen met het team een positief leerklimaat creëren voor de lerenden in groepsverband en op school;

In leerprocessen spelen alle factoren een rol: omgeving, tijdstip, sociale interacties, cognitieve benadering, emotionele benadering, kynesthetische benadering, timing, structuur, traditie, etc.
Het leerklimaat is de resultante van al deze factoren en heeft een meestal onbewuste werking op de lerenden. De blokfluitdocent dient zich van elk van genoemde factoren een beeld te vormen, en er bewust, alleen of in teamverband, handelend in op kunnen treden.

2.2 de emancipatie van de lerenden bevorderen;

In elk leerproces vinden momenten plaats waarop de lerende zich bewust wordt van groei, en toename van kundigheid. Het dient het streven van docenten te zijn de lerende te begeleiden naar zulke momenten toe, en de lerende te stimuleren de verworvenheden zelfstandig binnen het leerproces te gaan toepassen, waarbij toestemming of afkeuring van de docent geen rol meer speelt.

2.3 door attitudevorming lerenden op individuele ontplooiing en maatschappelijke participatie voorbereiden;

De docent dient zich bewust te zijn van de modellering die bij de lerende plaats vindt door haar/zijn aanwezigheid bij de lerende. Zowel in communicatieve zin, als in termen van leerhouding, meningsvorming, speelruimte en besef van verantwoordelijkheid dient de docent rolmodel te kunnen zijn. Hiertoe zal de docent bij collega’s spiegeling vragen van eigen gedrag en opvattingen.

2.4 actuele maatschappelijke ontwikkelingen hanteren in een pedagogische context;

Lerenden hebben het nodig voor de inbedding van hun leerproces dat het geleerde verband houdt met hun maatschappelijke kader. De docent stelt zich op de hoogte van de maatschappelijke ontwikkelingen, en kan een veranderende behoefte signaleren, bespreekbaar maken en opnemen in het leerplan.

2.5 adequaat omgaan met lerenden in sociaal-emotionele probleemsituaties en met     lerenden met gedragsmoeilijkheden;

Docenten moeten kunnen signaleren welk gedrag afwijkt van een normale bandbreedte. De docent kan, waar nodig een kind en diens opvoeders doorverwijzen naar gespecialiseerde instanties. De docent is ook in staat om een leeromgeving te scheppen waarin de lerende op adequate wijze expressie kan geven aan leerweerstanden, -belemmeringen of -onvermogens.

2.6 de fysieke en geestelijke gezondheid van de lerenden bevorderen;

De docent dient oog te hebben voor aspecten van houding, tonus, fitheid, alertheid, en gedrag die kunnen wijzen op onvoldoende zorg of zelfzorg. De docent is in staat observaties ter sprake te brengen, en de lerende te stimuleren om in verband met het leerproces hierin bij te sturen.

2.7 communiceren met lerenden met diverse achtergronden in diverse talige     situaties.

De docent is in staat om kundig lerenden met verschillende culturele achtergronden tegemoet te treden. Elke lerende handelt en leert in verband met een gezins-socialisatie en ook een leersocialisatie. Zelfs als aanpassing van gedrag van de lerende nodig zou zijn voor een goed leerklimaat dient de docent om te beginnen aan te sluiten bij de leerhouding, leeroriëntatie en leerkundigheid van de lerende.

Typefunctie 3 : de blokfluitdocent als inhoudelijke expert

De blokfluitdocent kan:

3.1 de basiskennis van de leerinhouden, waaronder ten minste de ontwikkelingsdoelen en eindtermen, verbreden en verdiepen;

De docent is in staat om doelen en eindtermen te kunnen relateren aan onderwijsinhouden en leertrajecten en is in staat om doelen langs verschillende wegen te bereiken. Daartoe heeft de docent kennis van historische onderwijspraktijken, en van eigentijdse methodieken, zowel uit het eigen vakgebied als uit relevante aangrenzende vakgebieden.

3.2 recente ontwikkelingen over inhouden en vaardigheden uit de leergebieden of vakgebieden volgen, analyseren en verwerken;

De docent houdt de ontwikkelingen op het eigen vakgebied actief bij. en vormt zich een beeld van de consequenties van die ontwikkelingen voor de eigen lespraktijk. Het eigen vakgebied behelst niet slechts de instrumentale vaardigheden, en kennis van methodieken, stijlen en technieken, maar ook de pedagogische vaardigheid en sociale vaardigheden die nodig zijn om een leertraject professioneel te begeleiden.

3.3 de verworven kennis en vaardigheid met betrekking tot leergebieden en vakgebieden aanwenden;

De eigen praktijk

3.4 met het oog op de begeleiding en oriëntering van lerenden, het eigen vormingsaanbod situeren in het geheel van het onderwijsaanbod met name de aangrenzende niveaus en het buitengewoon onderwijs, en de leerkracht is op hoogte van de bestaande vormen van integratie tussen gewoon en buitengewoon onderwijs.

De docent zal zich blijvend dienen te bekwamen in de nieuwe ontwikkeleingen binnen het vakgebied, in de ruimste zin van het woord. Hiertoe zal de docent cursussen, workshops, coaching, literatuurstudie, intercollegiaal overleg en andere bijscholingsvormen opzoeken en benutten.

Typefunctie 4 : de blokfluitdocent als organisator

De blokfluitdocent kan :

4.1 een gestructureerd werkklimaat bevorderen;

4.2 een soepel en efficiënt les- of dagverloop creëren, dat past in een korte- en lange termijnplanning;

De docent dient de dagindeling zo te organiseren dat voor lerenden en voor de doent zelf een goed leer-en werkklimaat ontstaat. Hierin is zowel sprake van zorg als van zelfzorg. Het is hierbij van belang dat er goed kan worden ingeschat waar de inspanningsmomenten liggen en waar ontspanning nodig en mogelijk is.

4.3 op correcte wijze administratieve taken uitvoeren;

Indien de docent in eigen praktijk werkt zal het nodig zijn om een administratie te voeren. Het is in het belang van zowel docent als lerenden om dit punctueel te doen. Verder kan het voor de leertrajecten belangrijk zijn op enige wijze verslag te leggen. De docent dient in staat te zijn deze verslaglegging zodanig te organiseren dat er zinvolle informatie kan ontstaan betreffende leerproces, voortgang, en eventueel ontwikkeling van relevante observatie-aandachtspunten.

4.4 een stimulerende en werkbare lesruimte creëren, rekening houdend met de veiligheid van de lerenden.

De werkruimte in brede zin omvat het gebouw, of de werkplek, met de inrichting, verlichting, instrumentarium, geluidsisolatie, etc. Veiligheid in deze wordt begrepen als fysieke veiligheid: meubilair dient degelijk te zijn, er moet een zinvolle ontsnappingsroute zijn bij calamiteiten, er mag geen schimmel in de muren zijn, er moet zorgvuldig schoongemaakt zijn.

Typefunctie 5 : de blokfluitdocent als innovator – de blokfluitdocent als onderzoeker

De blokfluitdocent kan:

5.1 kennisnemen van de resultaten van onderwijsonderzoek;

Ten aanzien van onderwijskunde, leertheorieën, speeltechnieken, repertoire, groepsinteracties en andere relevante toepassingsgebieden vindt steeds onderzoek plaats. Het is de taak van een docent om actief onderzoek te doen naar nieuwe publicaties, die te lezen en daarop te reflecteren, liefst samen met collega’s.

5.2 vernieuwende elementen aanbrengen door de eigen schoolcultuur en vormingconcepten constructief te bevragen, door reflectie over nieuwe maatschappelijke ontwikkelingen en over resultaten van onderwijsonderzoek;

De docent kan, indien nodig, met kennis van zaken, durf, diplomatie en doorzettingsvermogen verandering introduceren en samen met collega’s en leidinggevenden deze verandering plannen, uitvoeren en evalueren.

5.3 de eigen lespraktijk vernieuwen op basis van nascholing, eigen ervaring en creativiteit;

De docent is bereid en in staat om inrichting, inhoud, proces en houding voortdurend bij te stellen op basis van ervaringen en de reflectie daarop, en creatieve ingevingen plus de reflectie daarop.

5.4 het eigen functioneren in vraag stellen en bijsturen.

De docent is bereid om ten behoeve van het eigen leerproces supervisie of coaching op te nemen in de onderwijspraktijk.

Typefunctie 6 : de blokfluitdocent als partner van de ouders of verzorgers (1)

De blokfluitdocent kan :

6.1 zich op de hoogte stellen van en discreet omgaan met de gegevens over de lerende;

6.2 op basis van overleg met collega’s, ouders of verzorgers informatie en advies verschaffen over hun kind in de school;

6.3 in overleg met het team de ouders of verzorgers informeren over en betrekken bij het les- en schoolgebeuren, rekening houdend met de diversiteit van de ouders;

6.4 met ouders of verzorgers in gesprek gaan over opvoeding en onderwijs;

6.5 communiceren met ouders met diverse taalachtergronden in diverse talige situaties.

Typefunctie 7 : de blokfluitdocent als lid van een schoolteam

De blokfluitdocent kan :

7.1 participeren in de ontwikkeling van het schoolwerkplan;
7.2 participeren in samenwerkingsstructuren;
7.3 binnen het team over een taakverdeling overleggen en die naleven;
7.4 de eigen pedagogische en didactische opdracht en aanpak in het team bespreekbaar maken;
7.5 zich documenteren over de eigen rechtszekerheid en die van de lerende

Dit laatste is met name nodig als de onderwijspraktijk in eigen bedrijf, of in coöperatief verband wordt gehouden

Typefunctie 8 : de blokfluitdocent als partner van externen

De blokfluitdocent kan :

8.1 contacten leggen, communiceren en samenwerken met externe  instanties die onderwijsbetrokken initiatieven aanbieden.

Deze bekwaamheid is nodig voor het in stand houden en tot groei brengen van de praktijk (muziekschool, collectief, .etc) zélf. De klant van deze ‘dienst’ is het andere bedrijf, het eigen bedrijf, en ultimo de eigen leerlingen.

Typefunctie 9 : de blokfluitdocent als lid van de onderwijsgemeenschap

De blokfluitdocent kan :

9.1 deelnemen aan het maatschappelijk debat over onderwijskundige thema’s

Het maatschappelijk debat betreft plaats en functie van het blokfluitonderwijs in de samenleving. Observeren, nadenken over en theorievorming betreffende die plaats en functie behoort in bredere zin bij de actieve professional.

9.2 reflecteren over het beroep van de blokfluitdocent en zijn plaats in de samenleving.

Dit is een vaardigheid die voortkomt uit het verwerven van een overkoepelende visie op het vak, het beroep, het werkveld, de samenleving, toekomstverwachtingen en politieke structuren en bewegingen.

Typefunctie 10 : de blokfluitdocent als cultuurparticipant

De blokfluitdocent kan:

10.1 actuele thema’s en ontwikkelingen onderscheiden en  kritisch benaderen op de volgende domeinen :

10.1.1 het sociaal-politieke domein;

De docent en diens praktijk bevinden zich temidden van een groot aantal invloedssferen. Die zijn gedeeltelijk sociaal-politiek van aard, wat zoveel wil zeggen als dat de participanten binnen het werkveld handelen vanuit overtuigingen en aannames over onder anderen de sociale rol van de praktijk, de docent, de leerling en het algemene leerproces. De sociale rollen, dwz de functionele relaties tussen de participanten kunnen politiek gemotiveerd zijn, in die zin dat men uit gaat van een sociale taak en functie van de participanten. Als bijvoorbeeld de heersende politieke ideologie vermeldt dat in de lessituatie en binnen het leerproces het verkennen van andere culturen centraal moet staan, dan dient die benadering een maatschappelijk ideaal. Dit kritisch te benaderen behoort tot de vaardigheden van de docent.

10.1.2 het sociaaleconomische domein;

De docent kan men beschouwen als een maatschappelijk ondernemer. In die zin spreekt men van een productieproces, een product, een klant, een markt, een economische factor; maar ook van productontwikkeling, kwaliteit, human resource management, marketing, relatiebeheer. Tevens dient men zich bewust te zijn van de rol die het werkveld speelt in het totaal van de economie, en de gevolgen hiervan voor de sociale verhoudingen binnen het werkveld en tussen werkveld en andere maatschappelijke domeinen.

10.1.3 het levensbeschouwelijke domein;

Levensbeschouwing is een belangrijke (zoniet dé belangrijkste) drijvende factor in het muziekonderwijs. Muziekonderwijs wordt steeds in verband gezien met onderwijs en ontwikkeling in bredere zin, en niet zelden met zeer specifieke leerdoelen (ontwikkeling van het brein, van de sociale vaardigheden, van een hobby, van de kunstzinnigheid). Deze leerdoelen zijn altijd verbonden met een visie op de mens. Niet altijd in ontologische zin, maar vaak ook vanuit een zekere notie over ‘zinvol’ mens zijn. De docent moet in staat zijn om het leerproces te definiëren in termen van zulke levensbeschouwelijke domeinen. Het is niet de taak van de docent om zelf levensbeschouwelijkheid als onderwerp van het leerproces te maken, maar het kan wel belangrijk zijn om daar waar het onderwijs het levensbeschouwelijke raakt transparant te zijn over de eigen positie.

10.1.4 het cultureel-esthetische domein;

Esthetiek is het resultaat van een sensitiveringsproces voor culturele codes: het herkennen en waarderen van wat in een culturele omgeving als zinvol, schoon, nuttig, speciaal en bevestigend wordt ervaren. Esthetische opvoeding leert leerlingen om waar te gaan nemen, en te leren toepassen, wat als bijdragend aan een verbindend gemeenschapsgevoel geldt, en wat niet. Voor de docent is het belangrijk om te weten welke diepere vraagstukken met dit proces verbonden zijn: overdracht van esthetische idealen draagt een sterke Über-Ich lading in zich. Dit Über-Ich is dat wat schrijfster Connie Palmen “De Wetten” noemt, en dat zijn culturele voorschriften die, meestal onuitgesproken, leidend zijn in de esthetische overdracht. Voor de docent is het van groot belang om te gaan weten wat die wetten zijn, hoe ze werkzaam zijn, en waar ze het leerproces wellicht hinderen.

10.1.5 het cultureel-wetenschappelijke domein.

Op elk van bovengenoemde gebieden wordt wetenschappelijk onderzoek gedaan. Kennis nemen van dat onderzoek kan de blik op de eigen beroepspraktijk verruimen, en de beroepspraktijk veranderen waar nodig. Met name theorievorming rond ontwikkeling, leerprocessen, communicatie, sociale interactie, systeemvorming en -gedrag, is voor de docent van belang, naast kennisname binnen het specifieke domein van het eigen instrument, repertoire en gedachtenvorming rondom vraagstukken van interpretatie, historische relevantie, hermeneutiek, en instrumentarium.

Beroepshoudingen

De volgende beroepshoudingen gelden voor alle typefuncties

B1 beslissingsvermogen
B2 relationele gerichtheid
B3 kritische ingesteldheid
B4 leergierigheid
B5 organisatievermogen
B6 zin voor samenwerking
B7 verantwoordelijkheidszin
B8 flexibiliteit

____________

Nota

(1) Het begrip “verzorgers” verwijst naar de personen die ter vervanging van de ouders de verantwoordelijkheid dragen voor de lerende.

Advertenties

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s

%d bloggers liken dit: