online redactie

Archive for juni, 2011|Monthly archive page

Werken in en met een amateurensemble

In Diversen on 28 juni 2011 at 13:14

Blokfluitist schenkt aandacht aan de ervaringen van amateurspelers en –ensembles. Juist in het delen van ervaringen en het overdenken ervan ontstaan inzichten die heel nuttig en verrijkend kunnen zijn voor anderen. Ton le Coultre, blokfluitdocent uit Groningen bijt het spits af.

Dinsdag : Q-avond!
Voor de leden van Quintessens een avond die vastligt. Ieder van ons geeft de hoogste prioriteit aan ons samenspelen op de dinsdag . Bij hoge uitzondering slaan we wel eens over.
We beginnen met koffie/thee en eindigen vrijwel altijd met de “nazit” met een borreltje! Behalve het samen musiceren zijn we ook heel betrokken op elkaars wel en wee.
Eén van de belangrijkste kenmerken van een amateursensemble is de wil om samen iets “moois” te maken. Hoe ver kom je met dat moois? Dat heeft naar mijn mening met diverse factoren te maken. Ik put uit mijn ervaring met het ensemble Quintessens:
1) Allereerst vind ik belangrijk dat er een technische en muzikale basis is die bij alle leden min of meer gelijk is. Grote niveauverschillen ontnemen op den duur het muzikale speelplezier aan alle leden.
2) Maar alleen dat is niet genoeg: aan dat niveau moet gesleuteld worden om het te verbeteren. Immers: plezier in musiceren wordt voor een groot deel bepaald door ontwikkeling van het spel, het samenspel en het begrip van de muziek. Wij hebben hierbij het voordeel dat twee van onze leden een conservatoriumopleiding hebben gehad!

Het primaire leerproces
Hoe sleutel je aan het niveau? Voor ons geldt dat we ieder individueel les hebben en daarnaast als ensemble les nemen bij door ons benaderde docenten. Deze docenten coachen steeds aan de hand van concrete composities of vraagstellingen en werken dan met ons aan specifieke technische kwesties. Embouchure bijvoorbeeld of blaassnelheid om een betere stemming te verkrijgen. En dan :”uren maken” samen, want alleen dan ontwikkel je je tot een hechte eenheid!

Het secundaire leerproces
We hebben leren onderscheid maken tussen het individueel technisch/muzikaal niveau en het niveau als ensemble. Dit wordt behalve door de individuele mogelijkheden bepaald door de mate van bewustzijn in het samenspel: samenklanken (dus zuiverheid!), gelijkheid, intentie van de muziek op eenzelfde manier verstaan en dan toepassen in de muziek. We merken vaak dat er dan een natuurlijke frasering ontstaat die door elk lid kan worden gespeeld. De investering in techniek, begrip, bewust luisteren en intensief samenwerken betaalt zich uit in gemak, plezier en natuurlijkheid.
De verschillende persoonlijke kwaliteiten binnen ons ensemble geven ook een meerwaarde:
de één heeft kennis en kunde van repertoire en didactische vaardigheden, de ander is erg goed in creatief slagwerk, weer anderen kunnen virtuoze stukken spelen. Zo is het voor ons als gevorderde amateurs: we benutten elkaars mogelijkheden en samen stijgen we boven ons zelf uit.

Instrumentarium
Iedere repetitie zijn we als vermeld bezig met het samenspel: gelijkheid, zuiverheid, interpretatie. Maar een kapitale vraag is ook: welke fluiten gebruiken we?
Begonnen we aanvankelijk met wat sopranen en alten en kunststof tenor en bas, in de loop van de jaren is er door ons naar vermogen geïnvesteerd in blokfluiten. Hierbij hebben we bewust gezocht naar instrumenten die in ons ensemble pasten. We hebben nu de beschikking over alle blokfluiten ( a=440) van sopranino tot subbas van goede kwaliteit. Bijzonder hieraan is dat er mede door onze toewijding aan elkaar een gezamenlijke investering is gepleegd aan het instrumentarium en daarmee aan het werkproces. De fluiten zijn een belangrijk bezit, en symboliseren ook onze verbondenheid.
Om logistieke redenen repeteren we nu altijd bij ondergetekende omdat bij mij de kanjers staan.

Het sociale proces
Onze kracht als ensemble is ook dat we elkaar kunnen bekritiseren zonder problemen. Zo kunnen we besluiten om een bepaalde partij door iemand anders te laten spelen, omdat die het mooier of beter kan. We gaan voor het beste resultaat en zoeken naar de beste bezetting. Dit aspect van wederzijds vertrouwen vinden we heel belangrijk en voor ons vormt dit sociale aspect van het samenspelen daardoor de centrale bepalende factor voor groei, en toenemend speelplezier.
Onze bezetting is bijzonder vind ik: de jongste is 20, de oudste 60. Door onze doelgerichtheid van het samen zo goed mogelijk musiceren in een heel open sfeer is dat geen enkel punt!
Het gebeurt natuurlijk af en toe dat er een mutatie plaats vindt. We merken dat de basis in ons ensemble goed is, en onze gewoonte om persoonlijk maar wel respectvol te opereren maakt de entree van een nieuw lid een stuk makkelijker, zowel voor het nieuwe lid als voor de bestaande structuur.

Optreden
Als je zo bezig bent is het natuurlijk erg leuk om op te treden. Dat doen we dan ook.
Een optreden stimuleert tot afwerking van je spel: de puntjes op de i!
Vaak levert het ook wat op en daar maken we als ensemble weer uitstapjes van naar blokfluitevenementen (Blokfluitdagen in Mechelen!) Daar vragen we als ensemble ook les, want je ziet op evenementen vaak docenten die ver weg wonen, of anderszins moeilijk bereikbaar zijn. We houden allemaal van een afwisselend programma en zijn gelukkig in staat om altijd weer een verrassend en divers programma samen te stellen. Van ons publiek krijgen we dan ook vaak te horen: wat een boeiend, gevarieerd programma!
Vaak beginnen we met composities uit de renaissance, dan vroeg barok, barok en daarna naar meer hedendaags. We kiezen voor zulke chronologische programma’s om een gevoel van ontwikkeling mee te krijgen. Er werd en wordt ongelooflijk veel mooie, interessante, leuke (maar soms duivels lastige) muziek geschreven.
Om een indruk te geven van zo’n programma noem ik hier de stukken die we afgelopen september speelden tijdens een koffieconcert:
Estampie (bew. Saskia Coolen); Padouana uit Suite nr.20 van Joh. H. Schein; Concerto RV 533 van Vivaldi; Sonata in d moll van Mr. Loeillet; Fantasia van Eileen Silcocks; Installaties 1,3,5 van Frans Geysen; Indian Summer van Matthias Maute; uit: I Continenti Oceanië en Zuidamerika en tot slot De Amsterdamse grachten . Toegift: Iers: King Williams Ramble
Dit is best een ambitieus programma en daarvoor repeteren we vanzelfsprekend intensief.
De weken voor het optreden repeteren we in ieder geval twee keer in de week. Dat werkt voor de precisie van het samenspel heel erg goed: het verhoogt de concentratie waardoor weer meer natuurlijkheid ontstaat en we nog hechter samenspelen.
We maken afspraken over kleding, zijn ruim op tijd op de plaats van het concert om in te spelen, want akoestiek verkennen vinden we heel belangrijk.

Repertoire – waar?
Waar haal je die muziek vandaan? Dat is gewoon: NEUZEN! Overal in muziekwinkels muziek inkijken, maar ook: luisteren naar muziek, blokfluitdagen aflopen en snuffelen in de muziek van uitgevers, tips krijgen van docenten enz. De Blokfluitdagen in Mechelen zijn voor ons een enorme inspiratiebron, ook wat bladmuziek betreft!
Het internet kan een waardevolle bron van bladmuziek zijn, en daar vind je soms ook muziek die moeilijk anderszins te vinden is en bovendien vaak gratis.

Info
Wij vinden het prettig als anderen kunnen volgen wie we zijn en wat we doen. Daarom hebben we een plekje op het internet waar we belangstellenden informeren: www.quintessens.info

Interview Paul Leenhouts

In Interviews on 28 juni 2011 at 12:55

Praktisch onderwijs doet de vlam ontbranden

Door Jan Goorissen 28-07-2010

Vlak voor zijn vertrek naar Texas ontmoet ik Paul in de Winkel van Sinkel in Utrecht om hem te spreken over zijn nieuwe aanstelling: hoofd van de afdeling Oude Muziek aan de University of North Texas in Denton. Onmiddellijk enthousiast over de enorme mogelijkheden daar vertelt Paul dat niet alleen de Oude Muziek afdeling, maar tevens de jazz- en compositie-afdeling bijzonder goed aangeschreven en actief zijn. 

Het moet een fantastische uitdaging zijn om de Oude Muziek afdeling een gelijkwaardige plek te geven.

Ja zeker. Mij staat voor de geest om een volwaardige opleiding te organiseren, waarbij de technische en muzikale vaardigheden van de studenten niet onder doen voor die van jazz-musici.

In mijn lange ervaring als docent heb ik gemerkt dat praktisch onderwijs mij het meest motiveert. Tijdens mijn tienerjaren was ik een volkomen verveelde middelbare school leerling, en groot was de verrassing toen ik met het instituut conservatorium mocht kennismaken: het werd bevolkt door gedreven en gepassioneerde mensen die echt een ideaal hadden. Al in mijn eerste jaar vroeg Marijke (Ferguson) me om als slagwerker mee te werken aan een plaatopname voor Studio Laren. Meteen de praktijk in, doet er niet toe op welk niveau. Eigenlijk zoals het aloude meester-gezel systeem uit de gilde-periode. Je leert een ambachtelijk beroep en past steeds toe wat je aan het leren bent. Je komt er achter wat je nog niet beheerst, leert spelenderwijs het vak kennen en kunt ontdekken dat je motivatie een relatie heeft met de echte wereld. De beroepspraktijk ontstaat gaandeweg, en de sprong van opleiding naar werk is zo veel kleiner.

Wat zijn kernvaardigheden en -waarden die je studenten wilt meegeven?

Ik verwacht van studenten in de eerste plaats gedrevenheid om doelen te bereiken, op de tweede plaats vakmanschap, en op de derde plaats het vermogen tot conceptualiseren: een goed programma maken, weten waarom je iets doet, weten waarom een componist een werk heeft geschreven en wat er in een compositie gebeurt. Natuurlijk mag er op je spel niets aan te merken zijn. Als ik een student na een jaar of tien terugzie dan hoop ik te kunnen ervaren dat zij of hij ‘creatief bezig is gebleven’, zichzelf heeft vernieuwd en een eigen verhaal heeft ontwikkeld.

Een bijzonder belangrijk aspect van het musicus-zijn is het samenwerken met anderen. Het werkproces vertraagt eigenlijk met de factor van het aantal medespelers als je samenwerkt, en daar moet je mee kunnen omgaan. Geduld is een kern, delen en overleggen een must, en belangrijk is om je te realiseren dat er in groepsverband een kwaliteit kan ontstaan die de meesten alleen niet kunnen bereiken. Ik heb soms met pianisten te doen: zoveel kwaliteit, zoveel prachtig repertoire, maar zoveel alleen. Blokfluitisten kunnen groeien aan elkaar of anderen, in het bijzonder binnen consort-verband of een gemengd hedendaags ensemble.

Waarin wil je dat Denton zich gaat onderscheiden?

Een van de idealen die ik hoop te kunnen realiseren in Denton is het kweken van een levende oude muziekcultuur, gebaseerd op eigenheid. De Europese conservatorium-cultuur is mij af en toe te zeer georiënteerd op gepolijste uitvoeringen. Tijdens het polijsten gaat iets essentieels verloren en dat is vaak de inbreng van de persoon zelf. Men gaat uit van een ideaal geluid, een ideaal instrument, een ideale interpretatie. Dat levert weliswaar een topuitvoering op, maar haalt als het ware tevens de wilde haren van de performer af. Het creatieve is voor mij een heel belangrijk goed. Grote koffers vol ideeën, daarmee wil ik het liefst dat studenten het pand verlaten. Maar voor dat het zover is: investeren in studeren! De technische basis dient waterdicht te zijn, anders komen ideeën later niet van de grond. Ik heb helaas ook voorbeelden gezien van jonge musici die te snel programma’s of cd-opnames produceren. Wanneer de presentatie echter geen gelijke tred houdt met het vakmanschap, begeef je je op een gevaarlijk pad.

En zij gaan ook lesgeven, hoe zie je hun ontwikkeling naar docentschap?

Onderhouden van vakmanschap door een docent is ook essentieel. Docentschap is zelfs een gevaarlijk beroep te noemen: er bestaat een grote kans dat je jezelf als een papegaai blijft herhalen. Herhaling is een essentieel onderdeel van onderwijs, maar je moet hetgene dat je herhaalt misschien wel steeds opnieuw uitvinden. Doe je dat niet dan wordt je een ‘muzieklijkenhandelaar’. Hiertoe dien je jezelf steeds te reorganiseren en je met nieuwe onderwerpen bezig te houden. Net als voor een uitvoerend musicus gaat het docentschap niet alleen om uitstekend spel, goed geïnformeerd zijn, het ontwikkelen van een goede marketing en contactuele eigenschappen…. Het uiteindelijke doel, het overkoepelende idee, blijft toch het creëren van een boeiend muzikaal verhaal. Ik heb daar zelf ook enorm in moeten groeien: het maken van een goed programma blijft een uitdaging maar tegelijkertijd een spannende ontdekkingstocht.

Al pratend merk ik iets van een teleurstelling in de Europese praktijk. Wat stokt er?

Eerlijk gezegd vind ik de muziekpraktijk van dit moment wat gemakzuchtig. Er wordt veel repertoire gerecycled, en ik mis vaak een persoonlijke visie in de programma’s die men presenteert: wat is de achtergrond, wat heeft het te maken met de andere muziek in het programma, en waarom wil men het spelen? Vooral dat laatste. In Europa ervaar ik een groeiende apathische houding ten opzichte van cultuur gedurende de laatste tien jaar. Geen rebellie en experiment, maar alles koek en ei. Waar is de verwondering over wat een ander doet? Voor een cultuur waarin innovatie de toekomst moet scheppen bestaat er een wel erg defensieve en in zichzelf gesloten houding. Dat vind ik jammer. Wezenlijke interesse in de schepping van een ander vind ik normaal, anders heb ik niet zo’n zin in cultuur.

En in Denton? Amerikanen zijn bijzonder hongerig naar cultuur omdat ze zo weinig hebben. Het zijn de meest dankbare studenten die je je kunt voorstellen, en ze zijn overal voor in!

Dat goede zaken ook met geduld worden bereikt is iets wat af en toe met moeite wordt geaccepteerd aan de overkant van de plas: daar zal ik ook wel eens mee in de knoop kunnen raken, denk ik.

De afgelopen 40 jaar heb ik me intens met blokfluitmuziek beziggehouden, en de laatste 12 jaar ook veel met hedendaagse muziek. In Denton krijg ik te maken met een barokorkest van 85 studenten en word ik verantwoordelijk voor de hele kamermuziekopleiding. Ik kan kiezen uit repertoire van Middeleeuwen tot Klassiek voor een gemengde bezetting. Dat is natuurlijk een fantastische mogelijkheid en uitdaging tot het organiseren van toekomstige projekten!

Wat zijn de voedingsstoffen voor een goede beroepspraktijk, voor jou?

Uitwisseling van ideeën, naadloos spel en intelligentie. Als je dit vak niet zó beheerst dan kom je snel in je eigen Talibantentje terecht en ga je geloven in wat je allemaal zelf doet. De sociale rol van de musicus is toch een beetje die van een zigeuner in een tamelijk georganiseerde maar ook wat saaie wereld. Je moet echt een Rock-‘n-Roll mentaliteit hebben, keihard zijn om het een leven lang vol te kunnen houden. Als je merkt dat dat niets voor je is, is het misschien beter om andere wegen in te slaan. Ga organiseren, richt een bedrijf op en maak je talenten waar. In deze georganiseerde wereld is het moeilijk om je eigen stalletje op te zetten en om aan de bak te komen. Grote bedrijven maken de dienst uit en eten de kleine bedrijven op. Vergelijkbaar is de situatie van veel kamermuziekensembles ten opzichte van het monopolie van symfonieorkesten of operagezelschappen. Het is gewoon heel erg lastig voor een beginnend muzikant om een winkeltje te beginnen naast de gevestigde muzieksupermarkten. En toch: toen slagwerker Paul Koek zijn muziektheater begon en merkte dat het publiek niet naar hem toe kwam, besloot hij een oude tent te kopen, die hij opzette in Zoetermeer, tussen de flats. Mensen werden nieuwsgierig naar wat daar gebeurde. Hij voorzag eerder in zijn onderhoud door in de hete kassen te werken. Ontdekte dat het niet draaide om de vraag: “Hoe krijg ik de mensen naar binnen?” maar om de vraag “Hoe maak ik de mensen nieuwsgierig?” Dat soort rare acties en lef heb je nodig om met succes te kunnen starten. Ik krijg soms de kriebels van studenten met authentieke baardjes en verantwoorde uitgaven onder hun arm die op het Conservatorium verschijnen en verwachten dat er voldoende concerten voor hen worden georganiseerd. Zelf doen!

Even een sprongetje terug, Paul: ik zie je ogen glinsteren als je vertelt over de mogelijkheden in Denton, en vooral over de kans op ontmoetingen met moderne muziek en jazz. Ga je studenten nu ook naar de jazzafdeling sturen?

Om te improviseren? Ja, zou kunnen … maar eigenlijk verschillen de improvisaties op chansons van de 16e eeuw niet zo veel met die van een huidige flamenco- of jazzmuzikant. Kijk naar de uitgeschreven improvisaties van Bakfark, Rognono, Bonizzi, Bassano e.a. Alleen het idioom is natuurlijk anders. Daar heb je uiteraard wel een paar jaar voor nodig, om je dat eigen te maken. En dan nog. De grote musici van toen deden ook de meest krankzinnige dingen op hun instrument. Tijdloos krankzinnig. Toch is het heel belangrijk de clichés te leren spelen. Dat is de basis. Dat vind ik ook zo aardig aan het computerprogrammaatje Band in a Box. Je kunt het instellen op een stijl, en dan kun je het tevens laten improviseren binnen een raamwerk van clichés van een beroemd musicus. Blijkbaar hebben ongeveer 150 Japanse ontwerpers alle componenten van soli zitten ontrafelen op clichés en deze daarna weer ingeprogrammeerd. Ik heb gedurende de laatste vijftien jaar enorm veel Renaissance muziek verzameld en in de computer gezet. Dat is bijzonder leerzaam, want je leert als een soort restaurateur composities kennen, tot de kleinste bouwstenen aan toe. Met behulp van deze clichés leer je tevens waarnemen hoe een componist denkt. Zowel tijdens improviseren als componeren zou je kunnen zeggen dat je meesterschap verkrijgt door het in je opnemen en studeren van clichés.

Er lijkt een vuur in je branden dat met humor, strengheid en enthousiasme en soms woede een weg naar buiten zoekt. De stap naar Denton lijkt een weg te zijn naar verdere groei tot ‘greater greatness’. Hoe zie je dat?

Ik voel me een rijk mens door alles wat ik op muziekgebied heb mee mogen maken en de ervaring die mij daardoor geschonken is. Zo vele geweldige jaren met het Amsterdam Loeki Stardust Quartet, The Royal Wind Music, Studio Laren, ZT Hollandia en NT Gent, contact met verschillende culturen, werken met acteurs zoals Bart Kiene, en het intense contact met talrijke componisten. De ruimte en het opportunisme in de Verenigde Staten heeft me altijd wel aangestaan. Je kunt dingen ondernemen. Als ik voor mijn Barokinstituut in Boston veertien clavecimbels nodig heb dan zijn die er binnen een middag, en hoopt een bouwer er ook nog een te verkopen. Hier in Nederland organiseer ik me af en toe suf, roei tegen de stroom op en moet ook nog eens 800 Euro betalen aan huur … Ik verheug me tevens op de samenwerking met de jazz afdeling – de beroemdste van Noord-Amerika – en de compositieafdeling. Levende kunst. Ik ben ook blij verrast door de faciliteiten en de visie op cultuur die binnen de universiteit heerst. Er is een fantastische bibliotheek, en er zijn altijd mensen die geld willen schenken aan de universiteit om nieuwe initiatieven te ondersteunen. Het zintuig voor kwaliteit is op bepaald gebied nog niet zo ontwikkeld. De honger is er echter, de wil is er, de mogelijkheden zijn er. Het vuur van de authentieke intelligentie. De aansteker.

Beroepsprofiel Blokfluitdocenten

In DocentenPodium on 28 juni 2011 at 11:08

 Ontwikkeld door Jan Goorissen op basis van een beschrijvingsmodel van het Vlaamse Ministerie van Onderwijs.

Inleiding

Een beroepsprofiel kan een stekelig ding zijn. De docent of professional die het bestudeert kan in de verleiding komen om het eigen beschikbaar hebben van kennis en kunde te vergelijken met het geformuleerde ideaaltypische model. Zo’n vergelijking gaat bijna altijd mank, en leidt tot demotivatie als de verschillen tussen eigen kunnen en de eisen in het profiel zozeer uiteen lopen dat het leerproces dat zou leiden tot een completer palet aan vaardigheden te moeilijk lijkt te zijn. Het is dan ook niet de bedoeling dat een docent voldoet aan alle eisen, maar dat er wordt gewerkt naar een toename van kennis en kunde. Deze toename dient toetsbaar te zijn, en dat maakt het belangrijk dat docenten en muziekprofessionals hun leerproces periodiek in contact brengen met anderen. Die anderen kunnen directe collega’s zijn, maar ook een onbekende collega, een supervisor/ coach of leerbegeleider. Er kan een moment komen dat de lerende professional een zo levendige en reflecterende houding heeft ontwikkeld ten aanzien van de leerprocessen in en om haar/hem dat die toetsing steeds implicieter aan de Ander plaatsheeft. Dan wordt dit proces van reflectie, zelfcoaching en actieve communicatie een speel-proces dat grote vreugde in zich kan bergen. De professional ontwikkelt zich van bekwaam beroepsbeoefenaar tot een Meester. In Meesterschap zijn de eisen van het beroepsprofiel zo geïnternaliseerd dat de professional een bewuste “Change-Agent” is geworden: alleen al de aanwezigheid van een Meester veroorzaakt verandering in anderen, leerprocessen, motivatie, reflectie, intergratie, bewustwording. Veel mensen kennen wel zo’n persoon,die vaak onnadrukkelijk en liefdevol richting geeft. Soms in een boksschool, of langs de lijnen van een sportveld, soms ook de blokfluitdocent die de les, het samenspelen, de samenwerking met ouders, de school, het concert… tot een feest maken, zonder op de voorgrond te treden. We nodigen uit om dit warme beeld het koele profiel te laten begeleiden, en lekker aan de slag te gaan.

Typefunctie 1 : de blokfluitdocent als begeleider van leer- en ontwikkelingsprocessen

De blokfluitdocent kan:

1.1 de beginsituatie van de lerenden en de groep achterhalen;

De beginsituatie is het moment waarop de groep voor de eerste keer bijeen is, de leden elkaar niet kennen en elkaars vaardigheden onbekend zijn. De docent dient te kunnen achterhalen wat de mogelijheden, voorgaande leerresultaten en verwachte interacties zijn.

1.2 doelstellingen kiezen en formuleren;

Op basis van de bevindingen bij het omgaan met- en observeren van de groep kan de docent een leerweg uitstippelen, met bijbehorende doelen. De docent kan over deze leerweg en doelen adequaat communiceren met de groep.

1.3 de leerinhouden of leerervaringen selecteren;

De docent is in staat om keuzes te maken uit het aanbod van mogelijke leerervaringen en -inhouden, en deze aan te bieden, passend bij de groep en de individuele lerende daarin.

1.4 de leerinhouden of leerervaringen structureren en vertalen in een samenhangend onderwijsaanbod;

Vertalen betekent hier het zo formuleren dat de lerende -binnen diens eigen leerstijl en leersocialisatie- verstaat wat er wordt uitgedrukt. De docent kan de lerende bevragen op diens mogelijkheden te verstaan. Samenhangend wil zeggen dat het aanbod binnen een leerhypothese functioneert en deze hypothese weer een duidelijk verband heeft met de gehanteerde praktijktheorie.

1.5 een aangepaste methodische aanpak en groeperingsvorm bepalen;

De docent is in staat om de groeps- en leerdynamiek waar te nemen en te begrijpen, en, waar nodig het aanbod aan te passen aan de omstandigheden van het moment. Tevens kan de docent op communicatieve wijze de samenstelling van een groep wijzigen als dat voordelen biedt voor de leer- en ontwikkelingsprocessen van groep en groepsdeelnemers.

1.6 in team leermiddelen kiezen, aanpassen en ontwikkelen;

Een docent dient in staat te zijn met collega’s binnen een school of een samenwerkingsverband in brede zin leermiddelen uit te kiezen, aan te passen of zelf te ontwikkelen zoals die passend zijn voor een vruchtbare leeromgeving.

1.7 een adequate leeromgeving creëren met aandacht voor de heterogeniteit binnen de leergroep;

Een leeromgeving is een samenhangend geheel van ruimte, aankleding, gedrag, interactie, plaatsbepaling, tijdbehandeling etc. dat nodig is voor een goed leerproces en een goede groeps- en individuele ontwikkeling

1.8 observatie of evaluatie voorbereiden;

De docent is in staat om zelfstandig te observeren en te evalueren, maar vooral om deze handelingen in te passen in het leerproces, in de leerhypothese en in verband te brengen met de praktijktheorie.

1.9 observeren of het proces en product evalueren;

De docent is in staat kundig te observeren, en heeft kennis verworven over observatiekunde en informatieverwerking. De docent is in staat om het leerpotentieel van produkten te overzien en te evalueren, eventueel in samenhang met collega’s.

1.10 in overleg met het team, of vakgenoten zorgverbredingsinitiatieven uitvoeren en laten aansluiten bij de totaalbenadering van de school of de lespraktijk;

Lerenden hebben regelmatig te maken met belemmerende omstandigheden. Een aantal van die omstandigheden zal interventie behoeven. De docent is in staat die omstandigheden waar te nemen en te begrijpen, en kan, waar nodig, initiatief nemen om de lerende en diens verzorgers te helpen een weg te vinden om deze omstandigheden tot verandering te brengen. Daartoe dient de docent de sociale kaart goed te kennen, en actief handelend op te treden in het kader van het leer- en ontwikkelingsproces van de lerenden.

1.11 het leer- en ontwikkelingsproces begeleiden in het Standaardnederlands.

Alleen waar dit relevant is.

1.12  omgaan met de diversiteit van de groep.

Groepen zijn vaak samengesteld uit lerenden met verschillende leeroriëntaties, interactiegewoontes en cultuurachtergronden. De docent is kundig in het omgaan met deze verschillen, en is bereid, als die kundigheid tekort schiet, inspanningen te leveren om die te vergroten.

Typefunctie 2 : de blokfluitdocent als opvoeder

De blokfluitdocent kan:

2.1 samen met het team een positief leerklimaat creëren voor de lerenden in groepsverband en op school;

In leerprocessen spelen alle factoren een rol: omgeving, tijdstip, sociale interacties, cognitieve benadering, emotionele benadering, kynesthetische benadering, timing, structuur, traditie, etc.
Het leerklimaat is de resultante van al deze factoren en heeft een meestal onbewuste werking op de lerenden. De blokfluitdocent dient zich van elk van genoemde factoren een beeld te vormen, en er bewust, alleen of in teamverband, handelend in op kunnen treden.

2.2 de emancipatie van de lerenden bevorderen;

In elk leerproces vinden momenten plaats waarop de lerende zich bewust wordt van groei, en toename van kundigheid. Het dient het streven van docenten te zijn de lerende te begeleiden naar zulke momenten toe, en de lerende te stimuleren de verworvenheden zelfstandig binnen het leerproces te gaan toepassen, waarbij toestemming of afkeuring van de docent geen rol meer speelt.

2.3 door attitudevorming lerenden op individuele ontplooiing en maatschappelijke participatie voorbereiden;

De docent dient zich bewust te zijn van de modellering die bij de lerende plaats vindt door haar/zijn aanwezigheid bij de lerende. Zowel in communicatieve zin, als in termen van leerhouding, meningsvorming, speelruimte en besef van verantwoordelijkheid dient de docent rolmodel te kunnen zijn. Hiertoe zal de docent bij collega’s spiegeling vragen van eigen gedrag en opvattingen.

2.4 actuele maatschappelijke ontwikkelingen hanteren in een pedagogische context;

Lerenden hebben het nodig voor de inbedding van hun leerproces dat het geleerde verband houdt met hun maatschappelijke kader. De docent stelt zich op de hoogte van de maatschappelijke ontwikkelingen, en kan een veranderende behoefte signaleren, bespreekbaar maken en opnemen in het leerplan.

2.5 adequaat omgaan met lerenden in sociaal-emotionele probleemsituaties en met     lerenden met gedragsmoeilijkheden;

Docenten moeten kunnen signaleren welk gedrag afwijkt van een normale bandbreedte. De docent kan, waar nodig een kind en diens opvoeders doorverwijzen naar gespecialiseerde instanties. De docent is ook in staat om een leeromgeving te scheppen waarin de lerende op adequate wijze expressie kan geven aan leerweerstanden, -belemmeringen of -onvermogens.

2.6 de fysieke en geestelijke gezondheid van de lerenden bevorderen;

De docent dient oog te hebben voor aspecten van houding, tonus, fitheid, alertheid, en gedrag die kunnen wijzen op onvoldoende zorg of zelfzorg. De docent is in staat observaties ter sprake te brengen, en de lerende te stimuleren om in verband met het leerproces hierin bij te sturen.

2.7 communiceren met lerenden met diverse achtergronden in diverse talige     situaties.

De docent is in staat om kundig lerenden met verschillende culturele achtergronden tegemoet te treden. Elke lerende handelt en leert in verband met een gezins-socialisatie en ook een leersocialisatie. Zelfs als aanpassing van gedrag van de lerende nodig zou zijn voor een goed leerklimaat dient de docent om te beginnen aan te sluiten bij de leerhouding, leeroriëntatie en leerkundigheid van de lerende.

Typefunctie 3 : de blokfluitdocent als inhoudelijke expert

De blokfluitdocent kan:

3.1 de basiskennis van de leerinhouden, waaronder ten minste de ontwikkelingsdoelen en eindtermen, verbreden en verdiepen;

De docent is in staat om doelen en eindtermen te kunnen relateren aan onderwijsinhouden en leertrajecten en is in staat om doelen langs verschillende wegen te bereiken. Daartoe heeft de docent kennis van historische onderwijspraktijken, en van eigentijdse methodieken, zowel uit het eigen vakgebied als uit relevante aangrenzende vakgebieden.

3.2 recente ontwikkelingen over inhouden en vaardigheden uit de leergebieden of vakgebieden volgen, analyseren en verwerken;

De docent houdt de ontwikkelingen op het eigen vakgebied actief bij. en vormt zich een beeld van de consequenties van die ontwikkelingen voor de eigen lespraktijk. Het eigen vakgebied behelst niet slechts de instrumentale vaardigheden, en kennis van methodieken, stijlen en technieken, maar ook de pedagogische vaardigheid en sociale vaardigheden die nodig zijn om een leertraject professioneel te begeleiden.

3.3 de verworven kennis en vaardigheid met betrekking tot leergebieden en vakgebieden aanwenden;

De eigen praktijk

3.4 met het oog op de begeleiding en oriëntering van lerenden, het eigen vormingsaanbod situeren in het geheel van het onderwijsaanbod met name de aangrenzende niveaus en het buitengewoon onderwijs, en de leerkracht is op hoogte van de bestaande vormen van integratie tussen gewoon en buitengewoon onderwijs.

De docent zal zich blijvend dienen te bekwamen in de nieuwe ontwikkeleingen binnen het vakgebied, in de ruimste zin van het woord. Hiertoe zal de docent cursussen, workshops, coaching, literatuurstudie, intercollegiaal overleg en andere bijscholingsvormen opzoeken en benutten.

Typefunctie 4 : de blokfluitdocent als organisator

De blokfluitdocent kan :

4.1 een gestructureerd werkklimaat bevorderen;

4.2 een soepel en efficiënt les- of dagverloop creëren, dat past in een korte- en lange termijnplanning;

De docent dient de dagindeling zo te organiseren dat voor lerenden en voor de doent zelf een goed leer-en werkklimaat ontstaat. Hierin is zowel sprake van zorg als van zelfzorg. Het is hierbij van belang dat er goed kan worden ingeschat waar de inspanningsmomenten liggen en waar ontspanning nodig en mogelijk is.

4.3 op correcte wijze administratieve taken uitvoeren;

Indien de docent in eigen praktijk werkt zal het nodig zijn om een administratie te voeren. Het is in het belang van zowel docent als lerenden om dit punctueel te doen. Verder kan het voor de leertrajecten belangrijk zijn op enige wijze verslag te leggen. De docent dient in staat te zijn deze verslaglegging zodanig te organiseren dat er zinvolle informatie kan ontstaan betreffende leerproces, voortgang, en eventueel ontwikkeling van relevante observatie-aandachtspunten.

4.4 een stimulerende en werkbare lesruimte creëren, rekening houdend met de veiligheid van de lerenden.

De werkruimte in brede zin omvat het gebouw, of de werkplek, met de inrichting, verlichting, instrumentarium, geluidsisolatie, etc. Veiligheid in deze wordt begrepen als fysieke veiligheid: meubilair dient degelijk te zijn, er moet een zinvolle ontsnappingsroute zijn bij calamiteiten, er mag geen schimmel in de muren zijn, er moet zorgvuldig schoongemaakt zijn.

Typefunctie 5 : de blokfluitdocent als innovator – de blokfluitdocent als onderzoeker

De blokfluitdocent kan:

5.1 kennisnemen van de resultaten van onderwijsonderzoek;

Ten aanzien van onderwijskunde, leertheorieën, speeltechnieken, repertoire, groepsinteracties en andere relevante toepassingsgebieden vindt steeds onderzoek plaats. Het is de taak van een docent om actief onderzoek te doen naar nieuwe publicaties, die te lezen en daarop te reflecteren, liefst samen met collega’s.

5.2 vernieuwende elementen aanbrengen door de eigen schoolcultuur en vormingconcepten constructief te bevragen, door reflectie over nieuwe maatschappelijke ontwikkelingen en over resultaten van onderwijsonderzoek;

De docent kan, indien nodig, met kennis van zaken, durf, diplomatie en doorzettingsvermogen verandering introduceren en samen met collega’s en leidinggevenden deze verandering plannen, uitvoeren en evalueren.

5.3 de eigen lespraktijk vernieuwen op basis van nascholing, eigen ervaring en creativiteit;

De docent is bereid en in staat om inrichting, inhoud, proces en houding voortdurend bij te stellen op basis van ervaringen en de reflectie daarop, en creatieve ingevingen plus de reflectie daarop.

5.4 het eigen functioneren in vraag stellen en bijsturen.

De docent is bereid om ten behoeve van het eigen leerproces supervisie of coaching op te nemen in de onderwijspraktijk.

Typefunctie 6 : de blokfluitdocent als partner van de ouders of verzorgers (1)

De blokfluitdocent kan :

6.1 zich op de hoogte stellen van en discreet omgaan met de gegevens over de lerende;

6.2 op basis van overleg met collega’s, ouders of verzorgers informatie en advies verschaffen over hun kind in de school;

6.3 in overleg met het team de ouders of verzorgers informeren over en betrekken bij het les- en schoolgebeuren, rekening houdend met de diversiteit van de ouders;

6.4 met ouders of verzorgers in gesprek gaan over opvoeding en onderwijs;

6.5 communiceren met ouders met diverse taalachtergronden in diverse talige situaties.

Typefunctie 7 : de blokfluitdocent als lid van een schoolteam

De blokfluitdocent kan :

7.1 participeren in de ontwikkeling van het schoolwerkplan;
7.2 participeren in samenwerkingsstructuren;
7.3 binnen het team over een taakverdeling overleggen en die naleven;
7.4 de eigen pedagogische en didactische opdracht en aanpak in het team bespreekbaar maken;
7.5 zich documenteren over de eigen rechtszekerheid en die van de lerende

Dit laatste is met name nodig als de onderwijspraktijk in eigen bedrijf, of in coöperatief verband wordt gehouden

Typefunctie 8 : de blokfluitdocent als partner van externen

De blokfluitdocent kan :

8.1 contacten leggen, communiceren en samenwerken met externe  instanties die onderwijsbetrokken initiatieven aanbieden.

Deze bekwaamheid is nodig voor het in stand houden en tot groei brengen van de praktijk (muziekschool, collectief, .etc) zélf. De klant van deze ‘dienst’ is het andere bedrijf, het eigen bedrijf, en ultimo de eigen leerlingen.

Typefunctie 9 : de blokfluitdocent als lid van de onderwijsgemeenschap

De blokfluitdocent kan :

9.1 deelnemen aan het maatschappelijk debat over onderwijskundige thema’s

Het maatschappelijk debat betreft plaats en functie van het blokfluitonderwijs in de samenleving. Observeren, nadenken over en theorievorming betreffende die plaats en functie behoort in bredere zin bij de actieve professional.

9.2 reflecteren over het beroep van de blokfluitdocent en zijn plaats in de samenleving.

Dit is een vaardigheid die voortkomt uit het verwerven van een overkoepelende visie op het vak, het beroep, het werkveld, de samenleving, toekomstverwachtingen en politieke structuren en bewegingen.

Typefunctie 10 : de blokfluitdocent als cultuurparticipant

De blokfluitdocent kan:

10.1 actuele thema’s en ontwikkelingen onderscheiden en  kritisch benaderen op de volgende domeinen :

10.1.1 het sociaal-politieke domein;

De docent en diens praktijk bevinden zich temidden van een groot aantal invloedssferen. Die zijn gedeeltelijk sociaal-politiek van aard, wat zoveel wil zeggen als dat de participanten binnen het werkveld handelen vanuit overtuigingen en aannames over onder anderen de sociale rol van de praktijk, de docent, de leerling en het algemene leerproces. De sociale rollen, dwz de functionele relaties tussen de participanten kunnen politiek gemotiveerd zijn, in die zin dat men uit gaat van een sociale taak en functie van de participanten. Als bijvoorbeeld de heersende politieke ideologie vermeldt dat in de lessituatie en binnen het leerproces het verkennen van andere culturen centraal moet staan, dan dient die benadering een maatschappelijk ideaal. Dit kritisch te benaderen behoort tot de vaardigheden van de docent.

10.1.2 het sociaaleconomische domein;

De docent kan men beschouwen als een maatschappelijk ondernemer. In die zin spreekt men van een productieproces, een product, een klant, een markt, een economische factor; maar ook van productontwikkeling, kwaliteit, human resource management, marketing, relatiebeheer. Tevens dient men zich bewust te zijn van de rol die het werkveld speelt in het totaal van de economie, en de gevolgen hiervan voor de sociale verhoudingen binnen het werkveld en tussen werkveld en andere maatschappelijke domeinen.

10.1.3 het levensbeschouwelijke domein;

Levensbeschouwing is een belangrijke (zoniet dé belangrijkste) drijvende factor in het muziekonderwijs. Muziekonderwijs wordt steeds in verband gezien met onderwijs en ontwikkeling in bredere zin, en niet zelden met zeer specifieke leerdoelen (ontwikkeling van het brein, van de sociale vaardigheden, van een hobby, van de kunstzinnigheid). Deze leerdoelen zijn altijd verbonden met een visie op de mens. Niet altijd in ontologische zin, maar vaak ook vanuit een zekere notie over ‘zinvol’ mens zijn. De docent moet in staat zijn om het leerproces te definiëren in termen van zulke levensbeschouwelijke domeinen. Het is niet de taak van de docent om zelf levensbeschouwelijkheid als onderwerp van het leerproces te maken, maar het kan wel belangrijk zijn om daar waar het onderwijs het levensbeschouwelijke raakt transparant te zijn over de eigen positie.

10.1.4 het cultureel-esthetische domein;

Esthetiek is het resultaat van een sensitiveringsproces voor culturele codes: het herkennen en waarderen van wat in een culturele omgeving als zinvol, schoon, nuttig, speciaal en bevestigend wordt ervaren. Esthetische opvoeding leert leerlingen om waar te gaan nemen, en te leren toepassen, wat als bijdragend aan een verbindend gemeenschapsgevoel geldt, en wat niet. Voor de docent is het belangrijk om te weten welke diepere vraagstukken met dit proces verbonden zijn: overdracht van esthetische idealen draagt een sterke Über-Ich lading in zich. Dit Über-Ich is dat wat schrijfster Connie Palmen “De Wetten” noemt, en dat zijn culturele voorschriften die, meestal onuitgesproken, leidend zijn in de esthetische overdracht. Voor de docent is het van groot belang om te gaan weten wat die wetten zijn, hoe ze werkzaam zijn, en waar ze het leerproces wellicht hinderen.

10.1.5 het cultureel-wetenschappelijke domein.

Op elk van bovengenoemde gebieden wordt wetenschappelijk onderzoek gedaan. Kennis nemen van dat onderzoek kan de blik op de eigen beroepspraktijk verruimen, en de beroepspraktijk veranderen waar nodig. Met name theorievorming rond ontwikkeling, leerprocessen, communicatie, sociale interactie, systeemvorming en -gedrag, is voor de docent van belang, naast kennisname binnen het specifieke domein van het eigen instrument, repertoire en gedachtenvorming rondom vraagstukken van interpretatie, historische relevantie, hermeneutiek, en instrumentarium.

Beroepshoudingen

De volgende beroepshoudingen gelden voor alle typefuncties

B1 beslissingsvermogen
B2 relationele gerichtheid
B3 kritische ingesteldheid
B4 leergierigheid
B5 organisatievermogen
B6 zin voor samenwerking
B7 verantwoordelijkheidszin
B8 flexibiliteit

____________

Nota

(1) Het begrip “verzorgers” verwijst naar de personen die ter vervanging van de ouders de verantwoordelijkheid dragen voor de lerende.